zaterdag 7 oktober 2017

Queer

Op de tafel met nieuwe boeken in de bieb stuitte ik op Queer. In dit boek een bundeling van verhalen die elk op hun eigen wijze blijk geven van seksuele diversiteit. Nienke van Leverink, redacteur in de uitgeverswereld, heeft hiervoor een selectie gemaakt uit de naoorlogse literatuur uit Nederland en Vlaanderen. De teksten en gedichten verschillen in de mate waarin ze expliciet zijn. Vooral in de gedichten is meer ruimte voor een brede interpretatie. Er komen belangrijke thema’s aan bod zoals aids, onbegrip voor en veroordeling van seksuele geaardheid. Het geheel wil ruim baan maken voor een dimensie ver weg van de hetero-normatieve dominantie. Ik denk dat dat goed is gelukt.

Het mooie van de bundel is dat diverse bekende en minder bekende schrijvers aan bod komen van nu en even geleden. De tijd waarin verhalen spelen klinkt er in door. Tijdens lezing merkte ik hoezeer je geneigd bent om schrijvers in gangbare hokjes te plaatsen, terwijl de werkelijkheid vaak veel meer schakeringen behelst. De natuurlijkheid waarmee de verhalen dit verbeelden is lovenswaardig. Ze vertellen over genegenheid, liefde en seksualiteit. Veelal komt het aftasten van de nieuwe liefde aan bod, of de fascinatie voor diens fysiek, maar ook de onderlinge communicatie binnen een jarenlange relatie. Eigenlijk alles wat het leven en de liefde omvatten.    

In het voorwoord schrijft Xandra Schutte dan ook dat het winst is te noemen dat homoseksuele personages zijn doorgedrongen tot de literatuur. Ook al vertegenwoordigen ze geen anti-establishment meer zoals voorheen, wat Komrij er in 2008 toe bracht om de homoseksualiteit dood te verklaren. In de jaren vijftig was je als homoseksueel nog een rebel, later is de status ervan vertrut in de optiek van Komrij. Schutte spreekt dit tegen door te zeggen dat personages in goede literatuur nooit heel gewoon zijn, homo, hetero of wat ze dan ook zijn. In die zin biedt literatuur met personages die homo- of biseksueel zijn evengoed verhalen over de liefde.  

dinsdag 26 september 2017

Er gebeurde dit, er gebeurde dat

Aanvankelijk dacht ik dat dit boek in zijn geheel ging over de periode dat Kristien Hemmerechts borstkanker had gehad. Dit bleek echter alleen het eerste verhaal te betreffen. Dat is wel het langste in de verzameling verhalen die dit boek bergt, en het meest recente, samen met het amusante slotverhaal over het geven van etentjes. De titel ‘Er gebeurde dit, er gebeurde dat’ is kenmerkend voor de manier waarop Hemmerechts schrijft. Het gaat allemaal over ogenschijnlijk banale zaken uit het dagelijks leven, maar ondertussen vertelt ze toch op bijna terloopse wijze over essentiële thema’s van het leven. Dat is haar kracht. Ze maakt grote zaken tot leesbare verhalen en het gewone bijzonder.

Ze put veel uit haar eigen leven. Zo ook met het verhaal over borstkanker. Als om zichzelf te beschermen loopt ze op de zaken vooruit door van het ergste uit te gaan. Ze denkt over de dood en speelt met dat idee, zonder dat ze er op een pathetische manier mee koketteert. Het is een reële mogelijkheid waar ze rekening mee moet houden. Ze overdenkt de dingen op nuchtere wijze, maar kan ook heel overgevoelig uit de hoek komen als mensen op haar ziekte reageren op een manier die haar niet aanstaat. Eigenlijk is de schrijver een toonbeeld van menselijkheid, met alle onhebbelijkheden die daarbij horen. Zelf zegt ze: ‘Gek dat ik ook nu schrijfster blijf, meer aan de zinnen loop te denken die ik over de ziekte zal noteren, dan aan de ziekte zelf.’

Waar ze verder over schrijft varieert van haar jeugdige armoede, de verschillen tussen werken met je hoofd en met je handen, het verloop van relaties in een mensenleven, de veranderende tijdgeest. Allemaal op zo’n manier dat je het wegleest alsof het niks is en je je achteraf realiseert hoeveel het inhoudt en dat de essentie beklijft. Een kunst die de schrijver verstaat als geen ander. Lees Hemmerechts! Alsnog of nogmaals.   

zaterdag 16 september 2017

Superleuk, maar voortaan zonder mij

Oorspronkelijk heette dit verhaal van David Foster Wallace A supposedly fun thing to do I’ll never do again en was een verslag van een cruise geschreven voor een glossy. In uitgebreide vorm verscheen het in 1997 als boek en pas na zijn zelfmoord in 2008 werd het in het Nederlands vertaald. Hij doceerde Engelse literatuur en zijn werk werd hoog gewaardeerd. De indrukwekkende voorstelling van Wunderbaum op theaterfestival de Boulevard bracht me op dit bijzondere boek.

De titel laat al enigszins doorschemeren dat het een verhaal met een kwinkslag betreft. Het is relatief makkelijk om als dertiger met enige afstand over een zevendaagse verwencruise te schrijven waar vooral ouderen aan deelnemen, maar de schrijver spaart in dit verhaal zichzelf ook niet. Dit levert een amusant betoog op dat van het ene superlatief in het andere valt, gelardeerd met de nodige persoonlijke preoccupaties. Als relatieve buitenstaander probeert hij zich te mengen onder het publiek en wetenswaardigheden los te krijgen bij het personeel, wat vaak tot kolderieke situaties leidt.

Hij neemt de lezer mee in de verwennerij van het leven op het cruiseschip, waarvan hij merkt dat het zijn standaard verlegt. Oorspronkelijke luxe verwordt soms tot ergernis dat het niet nog beter is. De zogenaamd ingesleten dienstbaarheid van het personeel leidt tot ongemakkelijke situaties. Het aanmeren naast een ander cruiseschip leidt tot enige jaloerse gedachten dat het daar vast nog beter toeven is.

Het schijnbaar objectief beschrijven van de reis en het schip bergt uiteraard de nodige ironie in zich. Hij laat zich verrassen en meenemen door het leven aan boord en beschrijft zijn eigen onhandigheden. Zo heeft hij uit een soort baldadigheid geen smoking meegenomen om zich vervolgens doodongelukkig te voelen in zijn sterk uit de toon vallende oude tweed jasje. Zijn fantasie leidt tot creatieve ideeën zoals dat het vacuüm rioolsysteem hem mee zou kunnen zuigen de afvoer in. Al met al een hilarisch verhaal, met een irritant aantal voetnoten, dat constant op een hoogtepunt lijkt te verkeren, waardoor je een zucht van verlichting slaakt als je het uit hebt. Waarschijnlijk net zo’n zucht als hij slaakte toen hij eenmaal weer voet aan wal zette. 

zaterdag 9 september 2017

Bermuda

De hoofdpersoon in het tweede boek van Basje Boer heet heel toepasselijk Meis. Het is een meisjesachtige jonge vrouw die zich makkelijk voegt naar haar omgeving. Ze is nogal op zoek naar wie ze eigenlijk is en lijkt zich daarbij vaak te verliezen in aspecten van de buitenkant. Na haar verjaardagsfeestje dat haar vriendin Elfriede voor haar heeft georganiseerd met al haar eigen vriendinnen omdat Meis er geen heeft, en een veel te groot en ongewenst cadeau, vlucht Meis haar leven uit. Het lijkt een veelbelovend keerpunt.

Maar wat volgt is een lange trage opsomming van wat de eenzame Meis meemaakt als ze al haar pasjes en mobiel heeft weggegooid, door de stad zwerft en in een hotel verblijft tot het geld op is. De details van het leven van de einzelgänger zijn er teveel in aantal om lang te kunnen boeien. Als lezer ben je blij dat ze op een bepaald moment weer andere mensen ontmoet. Daarmee brengt de schrijver weer meer vaart in haar verhaal.

Ze laat Meis belanden in een soort rijkeluisstudentenhuis waar ze zich weer aan de anderen aanpast en opgaat in een klein geheel. Totdat ze daar om onduidelijke redenen genoeg van heeft en belandt bij haar alter-ego, een door haar bewonderde kunstenares.   

De schrijver geeft een beeld van de hoofdpersoon als iemand die onpeilbaar is en duistere beweegredenen heeft. Ze houdt ervan als haar leven op een film lijkt en diverse films worden dan ook in het verhaal betrokken. Schijn, werkelijkheid, dromen, gedachten en realiteit lopen door elkaar heen. De ultieme drijfveer van Meis lijkt het eeuwig willen vluchten te zijn, waarmee het verhaal ook eindigt. Ze belandt weer op een eigen plek in haar eentje. Of ze ditmaal haar eigen identiteit zal vinden is de vraag. 

zaterdag 2 september 2017

Gebarsten wit

Gebarsten wit is geschreven door Corina Engelbrecht. Zij is journalist en letterkundige, en schreef eerder een novelle. Gebarsten wit gaat over een man van halverwege de vijftig, Zeggelaar, die weet dat hij binnenkort zal sterven. Voordat hij de rust heeft om dat te laten gebeuren wil hij nog wat zaken uit zijn eigen leven en dat van zijn vader ophelderen. Beide mannen leefden met een geheim.

De schrijfster zet de laatste tijd van Zeggelaars leven neer als een relatief drukke periode van deze eenzame man, in een beeldende taal. Soms gebruikt ze veel staccato zinnen achter elkaar, wat me enigszins stoorde tijdens het lezen, maar haar taalgebruik is meestal trefzeker. Zeggelaar heeft zijn baan opgezegd en krijgt onverwacht contact met zijn jonge opvolger, die hij bij gebrek aan intimi,  de naleving van zijn testament toevertrouwt.

Je ziet Zeggelaar in een oude man veranderen. Hij loopt met een stok en krijgt hulp in huis. Maar ook wordt hij van een formele, degelijke man een wat opener persoon, die meer kan genieten, maar evengoed boos kan zijn. Bijvoorbeeld als zijn ex-vrouw hem onverwacht komt bezoeken en zich met hem wil bemoeien. Zijn jonge hulp daagt hij uit om samen iets te ondernemen en hij voelt zich heel even jonger, en als een vader. Eindelijk is hij er aan toe om in het dagboek van zijn vader te lezen over zijn oorlogsverleden en hem daarmee wat beter te begrijpen. Hij lijkt nog meer een zoon van zijn vader met zijn driften en ingehouden emoties. 

Het geheim van Zeggelaar zelf wordt langzaamaan duidelijk en hij kiest ervoor het mee te nemen in zijn graf. Voordat het kleine clubje mensen om hem heen hun eigen visie op zijn leven zullen geven bij zijn begrafenis, laat hij zijn eigen woorden die dan uitgesproken moeten worden bij de notaris vastleggen. De doorbroken onschuld van het gebarsten wit maakt plaats voor het zwarte wezen van de dood. 

zaterdag 26 augustus 2017

Wanneer wordt het eindelijk weer zoals het nooit is geweest

Joachim Meyerhoff schrijft in deze autobiografische roman over zijn bijzondere jeugd. Hij groeide op bij een psychiatrische inrichting, waarvan zijn vader directeur was. Hun huis stond op het terrein ervan. Er waren diverse gebouwen waarin kinderen waren opgenomen, maar soms ook volwassenen die er bleven omdat ze zo goed als hun hele leven daar al hadden doorgebracht. Voor Joachim was het een soort paradijs met muren eromheen. Daarbuiten leek alles in zijn ogen minder gewoon. De schrijver laat mooi zien hoe normaal gek kan zijn in de ogen van een kind, dat tussen de ‘gekken’ opgroeit.

Juist in de ‘normale’ wereld heeft hij moeite om zich staande te houden. Hij vindt het lastig om zich aan te passen, heeft problemen met leren en woedeaanvallen. Zijn twee oudere broers jutten hem wel eens op met de opmerking dat hij eigenlijk een psychiatrisch patiënt is. Dat maakt hem erg onzeker. Ook hoe intimiteit en afstand binnen een gezin hun plek kunnen hebben vormt een thema van dit verhaal. De broers pesten hem, maar ze zijn ook nauw met elkaar verbonden. Ook tussen de ouders van de jongens blijken afstand en nabijheid elkaar af te wisselen, getuige de positie van hun bedden.

De broers worden ouder, Joachim vliegt uit naar Amerika en lijkt daar volwassen te worden. De idyllische plek van zijn jeugd is er niet meer. Scheiding, ziekte en dood lijken het gezin, dat vooral achteraf zo hecht leek, uit elkaar te scheuren. Joachim kijkt met heimwee terug naar een gewone jeugd die dat eigenlijk nooit geweest is. Het opgroeien van een kind naar volwassene ontneemt hem de vroegere onbevangenheid. De schrijver ontdekt dat hij zijn eigen waarheid kan bedenken. Dat wat hij niet meer weet, verzint hij erbij en gaandeweg komen herinneringen weer boven. Hij verlangt niet alleen terug naar een voormalig paradijs, maar realiseert zich dat dit feitelijk nooit bestaan heeft. Meyerhoff schrijft in een zeer beeldende stijl, die maakt dat je het verhaal helemaal voor je ziet. 

zaterdag 19 augustus 2017

Zeg mijn lezers dat ik doorschrijf

In de bibliotheek kwam ik een boek tegen dat ik jaren geleden op mijn lijstje had staan, het boek van Joris van Casteren over schrijvers die het niet meer lukte om nog een volgend boek uit te laten geven. Ik las het alsnog. De titel ‘Zeg mijn lezers dat ik doorschrijf’ is een uitspraak van een van de voor dit boek geïnterviewde schrijvers. Van Casteren sprak hiervoor eenentwintig schrijvers van na de oorlog tot 2000 die aanvankelijk succesvol waren, maar gaandeweg in de vergetelheid raakten. Van slechts drie ervan heb ik ooit iets gelezen. Ook komen soms schrijvers om de hoek kijken die nu nog steeds succesvol zijn, als vriend of familie van de geïnterviewden. Jaloezie en wrok zijn nooit ver weg. Maar ook gelatenheid is een optie na een gestrande schrijverscarrière.

Aanvankelijk lijkt het een beetje een freakshow te worden, maar uiteindelijk is het toch een lezenswaardige terugblik van gewezen succesvolle schrijvers. Sommigen zijn in een ander beroep terechtgekomen zoals in de reclame, vertaler van gebruiksaanwijzingen of postbode. Afhankelijk van hoe het leven verder gelopen is, zitten enkelen er nu warmpjes bij, terwijl anderen het niet breed hebben. Op een of andere manier is in de schrijfstijl van Van Casteren in dit boek de ironie toch nooit ver weg. Ik vraag me dan ook af of de geïnterviewden vooraf inzage hebben gehad in het uiteindelijke verhaal.

Sommige schrijvers schrijven door, voor zichzelf of voor uitgave in eigen beheer. Anderen zien geen meerwaarde van schrijven nu er geen publiek meer voor hen is. Als het wantrouwen, de boosheid en de verontwaardiging over hoe het is gelopen de overhand nemen, is het leven niet meer zo prettig. Dit geldt natuurlijk niet alleen voor gewezen schrijvers. Dat is het mooie van dit boek, het gaat over mensen en hoe zij omgaan met hoe hun leven verloopt. En dat juist schrijvers vaak een hang naar het duistere hebben maakt het des te interessanter.