woensdag 3 augustus 2016

De zevende functie van taal


Laurent Binet neemt in ‘De zevende functie van taal’ het ongeval dat de dood van filosoof Roland Barthes tot gevolg had tot uitgangspunt van zijn roman. De filosofen uit de jaren ’80, Parijs en de taalkunde leken me goede ingrediënten voor een interessante roman. Binet gaat binnen de taalkunde in op de semiotiek, die zich bezighoudt met de leer van de tekens en hoe de werkelijkheid wordt verbeeld in bijvoorbeeld de literatuur. Het boek en het verhaal daarin, is daarmee zelf onderwerp van gesprek. De schrijver speelt met de verhouding tussen personage en zichzelf, de bedenker ervan.

Het verhaal behelst de zoektocht van een Franse politieman die in opdracht van de president de dood van Barthes onderzoekt, naar een waardevol document dat van landsbelang is en niet in verkeerde handen mag vallen. Een taalkundige academicus assisteert hem in de vertaling van de wetenschap naar de praktijk. Het document zou de zevende functie van taal bevatten die de gebruiker ervan grote macht zou verlenen.

Een veelheid van filosofen komt voorbij, waaronder Foucault en Derrida, maar ook taalwetenschapper De Saussure. Binet gaat niet alleen in op hun denkbeelden maar zet ze ook bijna karikaturaal neer. Het verhaal barst van de seksuele escapades en onderlinge disputen. Politiek en filosofie zijn nauw met elkaar verweven. Je moet als lezer goed bij de les blijven om het verhaal inhoudelijk te kunnen blijven volgen met de veelheid aan personages daarin. Op een bepaald moment raakt het verhaal voor mij over the top. Dit wordt het best geïllustreerd door een seksscène waarin de assistent tijdens de daad filosofische denkbeelden uitroept.

Ik was nog wel benieuwd naar de ontknoping van de zoektocht. Na veel hilarische omtrekkende bewegingen wordt deze deel voor deel uit de doeken gedaan. Het kwam me voor als een nette afhechting van alle verhaallijntjes. Goed bedacht maar té bedacht. Zo komt het ook dat de assistent zich tot op het laatst afvraagt of hij zich niet toch in een roman bevindt, omdat zijn belevenissen zo fantastisch zijn. Hiermee stelt Binet zijn eigen verhaal ter discussie. Een slimme zet in dit spel tussen waarheid en fictie.    

woensdag 27 juli 2016

Remington

Van Bert Natter las ik eerder zijn romandebuut ‘Begeerte heeft ons aangeraakt’. Dat was een mooi soort road novel over een man die op zoek gaat naar een antiek muziekinstrument en een liefde lijkt te vinden. Een zoektocht naar de zin van het leven met een onbestemd einde. Ook in zijn nieuwe boek gaat een man op pad, ditmaal om zijn oude vader op te halen uit Duitsland. De vader heeft zijn geboortegrond in dat buitenland teruggezocht en vraagt zijn zoon nu nogal dwingend om zo snel mogelijk te komen. Wat volgt is een onverwachte reis van twee mannen, van twee generaties.

Bert Natter beschrijft mooi de verschillen tussen vader en zoon. De vader heeft een sterke weerstand tegen alles wat modern is en zweert bij zijn oude zware Remington. De zoon doet veel met zijn mobiel wat de vader minachtend als ‘dat ding’ bestempelt. Voor het weer kun je beter naar de wolken kijken, vindt hij, in plaats van naar zo’n apparaatje.

De schrijver gaat telkens heen en weer in de tijd wat het verhaal de nodige spanning geeft. Hij begint met de dood van de vader en langzaamaan ontrolt zich het verhaal hoe het zover is gekomen. Hij doseert de informatie die de lezer krijgt vakkundig. Uiteindelijk valt alles op zijn plek.

Natter heeft van de vader een schrijver gemaakt en van de zoon een kunstenaar. Dat levert mooie beschouwingen op tussen de twee disciplines. Ook de generatiekloof draagt daaraan bij. De vader stelt dat het maken van kunst geen rationeel maar ook geen emotioneel proces is, maar ‘het gebeurt in een tussentoestand en lijkt vanzelf te gaan.’ Bij hem is het schrijven een fysieker proces met zijn oude typemachine dan de kunst van de zoon. Bij de zoon gaat het vaak vooral om het idee, dat mogelijk door anderen wordt uitgevoerd.

De vader moet stoppen met schrijven omdat zijn handen niet meer willen en hij de hedendaagse techniek die zijn zoon voorstelt geen optie vindt. De zoon is achteraf mild over zijn vader: ‘Mijn vader praatte niet, hij sprak. Zelfs als hij uit zijn nek lulde, deelde hij nog mede.’ Een portret van een vader, een stem van vroeger, met ergernis en eerbied gemaakt.     

woensdag 20 juli 2016

Onze eeuwige honger

Mijn eeuwige honger naar leesvoer, een onstilbaar verlangen. Ben ik in het ene boek bezig, kijk ik alweer uit naar het volgende. Lees ik het ene boek op de bank, hunker ik alweer naar het andere in bed. Waar komt die honger toch vandaan? In elk geval is wat wordt beweerd over reizen en lezen waar: het brengt je in andere werelden en verdiept je inzicht. Een boek hoeft me niet te behagen, mag juist zelfs enige frictie veroorzaken en heeft bij voorkeur geen onverdeeld happy end. Wel moet het me meeslepen naar daar waar het me het diepst raakt.

Dit verlangen heeft moeten groeien. De overstap van jeugdboeken naar volwassen literatuur was bij mij een moeizame. Om de overgang te verzachten las ik een tijdje Lemniscaat-boeken, speciaal voor de oudere jeugd of jong volwassenen. Nog zo’n in between boek was ’13, een meisjesboek’ van Mischa de Vreede. Het ging over een meisje van 13 en haar moeizame gang richting volwassenheid. De open en vrije manier van schrijven van De Vreede sprak me aan en ik las meer van haar.

Zo las ik een gedicht van haar voor voor de klas. Het heette ‘Thuiskomen’. Het eindigde met: ‘Het is weer ja / het is weer nee / het is weer mooi weer / buiten.’ Ik was verkocht. Volgde bijvoorbeeld nog ‘Onze eeuwige honger’, over een eenzame vrouw die tegen beter weten in op wanhopige wijze contact probeert te maken met anderen. Ze laat een telefoon aansluiten, maar wordt nooit gebeld. Ze gaat aan de pil, maar heeft nooit seks. Een triest maar mooi verhaal.

Ze is een van de weinige schrijvers waarvan ik vijf boeken in de kast heb staan. Ik las al haar romans, waarvan de laatste, ‘Heilige dagen’ alweer negen jaar geleden verscheen. Ze is ondertussen ook al 79 jaar. Ze heeft een eigen website, heel sober, ‘als tegenwicht van de omgevallen prullenbak die zoekmachines te bieden hebben.’ Ze werd vóór de tweede wereldoorlog geboren in het toenmalige Batavia en kwam erna met haar familie in Nederland terecht. Een schrijver met geschiedenis, die het bijzondere in het gewone ziet. Lees haar, om onze eeuwige honger te stillen! 

woensdag 13 juli 2016

IJstijd

Vijf jaar na haar prozadebuut ‘Half mens’ kwam ik er nu dan eindelijk toe om eens een boek van Maartje Wortel te lezen. Het werd ‘IJstijd’ uit 2014, haar tweede roman. Ik was erg benieuwd na alle positieve geluiden en werd zeker niet teleurgesteld. Want wat een goed verhaal schreef ze met sterke personages. Ook het in de huid kruipen van een man, de hoofdpersoon James, gaat haar goed af. Het is een psychologisch drama geconcentreerd rond twee personen. Samen leven ze naar hun noodlot toe.

James is een jonge man die in alle opzichten vrij in het leven staat. Zijn ouders zijn gescheiden en hebben nooit tijd voor hem. Hij leeft van het geld van zijn moeder waardoor hij niet hoeft te werken. Hij heeft nauwelijks vrienden en woont in hotels. Met weinig urgente zaken in zijn leven zoekt hij maar wat tijdverdrijf en filosofeert over het leven, dat er in zijn ogen niet heel goed vanaf komt.

Dan ontmoet hij Marie. Zij biedt weerstand wat hem uitdaagt. James denkt: ‘Er zijn mensen die beweren dat je het gemaakt hebt als er zoveel mogelijk mensen tegelijkertijd aan je denken, volgens mij heb je het gemaakt als er één mens op de wereld altijd aan je denkt.’ Ze leven samen in een romantische bubbel. Marie heeft als ultieme droom hun twee-eenheid op een Zweeds eiland. Maar ze is een perfectionist voor wie nooit iets goed genoeg is en het loopt juist uit op een scheiding van de twee dolende zielen.

De schrijfster verwoordt mooi hoe de twee uit elkaar groeien. Het lijkt alsof hij door hun relatie wordt opgetild en zij uiteindelijk diep op zichzelf teruggeworpen wordt. Behalve een liefdesgeschiedenis is het ook een verhaal over de zin van het leven. Wortel laat haar personages hierover aangenaam filosoferen. Het boek heeft geen happy end, maar James komt er wel gelouterd uit. Zijn hele liefdesavontuur bleek één grote omtrekkende beweging naar een nieuw begin. Mooi boek, vraagt naar meer!   

zondag 3 juli 2016

Meer dan een minnaar

Oscar van den Boogaard introduceert de simpele geest Noël die graag de controle heeft over zijn leven. Hij woont met vrouw en zoon per toeval op stand in een dorp in België. Tegen de hoop van zijn moeder in gaat hij niet studeren, maar wordt als vanzelf tuinman. Zijn zoon August en vrouw Regina lijken zich voor hem te generen, verwoed verzamelaar en handwerkman als hij is.

In het begin van het verhaal moet de schrijver even op gang komen, maar vervolgens wordt de lezer meegesleept in een schijnbaar banaal drama dat zich veelal afspeelt buiten het zichtveld van de omgeving. Ook als lezer vraag je je voortdurend af wie nu de minnaar uit de titel zal blijken te zijn en uiteindelijk blijkt deze kwalificatie op meer dan één persoon van toepassing.

Het verhaal wordt met een luchtige toon verteld, maar bergt ondertussen veel essentieels in zich. Hoe goed kennen we degenen die ons na staan? En hoe verrassen onze dierbaren ons met hun daadwerkelijke keuzes in het leven? In de setting van het Belgische platteland schetst de schrijver een verhaal van leven en dood en alle verwikkelingen daar tussenin. Van den Boogaard beschrijft de verlangens van de personages en hoe deze veelal verborgen achter de zichtbare werkelijkheid hun weg vinden. De realiteit lijkt hen uiteindelijk terecht te stellen.

Eerder las ik ‘De tedere onverschilligen’ van Van den Boogaard. Ook daarin speelt het verlangen van een buitenstaander een grote rol. Het zijn de kleine woorden die een grote impact hebben op de essentie van het leven: liefde en verbondenheid. Een niet hoogdravend verhaal over hoe het leven kan uitpakken. Mooi en triest tegelijkertijd. 

zondag 26 juni 2016

Zeepijn

Zeepijn is een mooi woord. Het doet vermoeden dat je pijn voelt door de zee. In het geval van Charlotte Mutsaers is dit juist niet zo. Zij mist de zee als die niet in de buurt is net zoals zij een dennenbos kan missen. De zee langs de Belgische kust stemt haar gerust. De zee in Nederland wat minder, daar kan ze er wel wat poëzie bij gebruiken. En een zeepijn blijkt een pijnboom te zijn die vlakbij de zee groeit. Ook die biedt de schrijfster troost. In welke mate een zeepijn bestaat of is ontsproten aan de verbeelding van Mutsaers weten we niet, maar dat doet er ook niet toe. Het gaat om het verhaal.

Charlotte Mutsaers neemt de lezer mee naar haar gedachtewereld waarin verschillende onmogelijke zaken met elkaar verbonden worden. Zij doet dit niet analytisch maar meer associatief en op zeer overtuigende wijze. Zo ligt de oorsprong van dit boek bij een peper- en zoutstel dat in een kringloopwinkel stond en niet te koop was. Ze koopt het dan ook niet maar krijgt het mee na de belofte er een boek over te schrijven. Want waarom staat er op het stel een vis en een dennentakje? Beginvraag van Zeepijn.

Diverse thema’s uit het leven van de schrijfster komen in dit boek naar voren en verschijnen ook in diverse boeken en gedichten van andere schrijvers die zij aanhaalt. Zo worden zee, dennenbos, Kerst, vis en zeemeerminnen met elkaar verbonden. Mutsaers is hier een meester in. Het resultaat is een meeslepend verhaal dat in geen enkel hokje past. Het is geen roman, geen verhalenbundel, geen non fictie. Het zijn eerder persoonlijke overpeinzingen waarbij de verbeelding de waarheid een handje helpt. Fantasie genoeg in het hoofd van de schrijfster, maar aan interessante ervaringen ook geen gebrek. Al met al een fijn boek om in te vertoeven.

zondag 12 juni 2016

De loopjongen

Het boek ‘De loopjongen’ van Gerrit Komrij trok mijn aandacht door de mooie omslag. Daarop staat een zwart-witfoto van een jonge jongen die doet denken aan vroegere afbeeldingen van Che Guevara. Niet geheel onterecht blijkt bij lezing van het boek. Het kwam uit in het sterfjaar van Komrij, 2012. Het was de laatste roman die tijdens zijn leven verscheen.

We maken kennis met Arend, een jongen die in de jaren vijftig opgroeit en moeilijk aansluiting vindt bij zijn leeftijdsgenoten. Hij is een buitenstaander en wordt gepest. Zijn vader is overleden en zijn moeder is dominee. Hoe hij ook zijn best doet om vriendschap te vinden, het lukt hem niet. Komrij schetst in dit deel een psychologisch portret van een jonge jongen in een kleine beschermde wereld.

Maar dan gaat Arend studeren, zijn wereld wordt groter. Hij vindt aansluiting bij studenten die de revolutie dienen. Hij vindt het machtig mooi om gezamenlijk de goede zaak te dienen. Dit brengt de zo gewilde kameraadschap met zich mee. Komrij Beschrijft zijn aansluiting als volkomen natuurlijk en vanzelfsprekend, hoe extreem de leer uiteindelijk ook uit zal pakken. De hunkering van Arend naar vriendschap lijkt vervuld.

De schrijver verbeeldt goed de onderlinge verhoudingen tussen de studenten en hoe iemand om tegenop te kijken interessanter is dan iemand die je achterna loopt. Zelf wordt Arend de  rechterhand van de grote man in de organisatie, zijn loopjongen. Het brengt hem in het bevriende communistische China en uiteindelijk op een commandopost ver weg in de jungle, waar zijn wilskracht danig op de proef wordt gesteld. Alles in de kleurrijke bewoordingen van Komrij. 

In het laatste deel is Arend in rustiger vaarwater terecht gekomen en is hij docent op een universiteit. Hij verkeert in de veronderstelling dat hij nu werkelijk weet wat vriendschap is. Tot een krantenbericht waar toevallig zijn oog op valt hem danig uit de droom helpt. Een prachtig verteld verhaal van een klein leven in de grote wereld en hoe een illusie ontmanteld kan worden.