zaterdag 17 maart 2012

De horizon

In ‘De horizon´ (2011) treffen een man en een vrouw elkaar in Parijs. Beiden zijn eenling en worden door iets uit hun verleden achterna gezeten. De man wordt gevolgd door iemand die zijn moeder zou zijn en een magere man in het zwart. Ze willen altijd geld van hem. De vrouw wordt in de gaten gehouden door een man die haar ooit lastig heeft gevallen. Daarom woont ze in een verre buitenwijk van de stad. De schaduwen uit  het verleden bepalen hun eeuwige heden.

Ze leven een anoniem leven zoals dat kan in een stad als Parijs. Het ene moment probeert de man de vrouw te overtuigen van het feit dat ze vrij zijn, het  volgende moment realiseert hij zich dat ze geen vaste grond onder de voeten hebben; geen familie, kinderen van de straat. 
Patrick Modiano, de schrijver, weet de benauwende sfeer waarin het stel leeft, goed te treffen. Er is weinig communicatie tussen het tweetal en de rest van de wereld en zelfs tussen hen onderling. Hun vlucht voor hun belagers bindt hen. Zij heeft al vele tijdelijke verblijfplaatsen gehad. ‘Altijd wanneer ze ergens haar biezen pakte, voelde ze een lichte euforie, en bij elke breuk met het verleden vertrouwde ze erop dat het leven uiteindelijk gewoon doorging.’ Helaas wist haar achtervolger haar vaak toch weer te vinden. ‘Ze vroeg zich af of die zwarte gestalte haar hele leven lang de horizon zou blijven versperren.’

Tientallen jaren later probeert de man het leven van de vrouw te reconstrueren. Ze is om hem onduidelijke reden Parijs ontvlucht. Hij kan het lot dat hen uit elkaar had gedreven niet langer verdragen. Hij gaat naar haar op zoek en komt te weten dat ze in een boekhandel werkt in haar geboortestad Berlijn. Eindelijk heeft hij het gevoel precies daar te zijn waar hij in dit leven weer zou moeten zijn; bij haar in de buurt. Dat maakt hem heel kalm. Hij wacht nog even met naar haar toegaan. Voor heel even in zijn leven leeft hij niet alleen in het heden en denkt hij niets steeds aan het verleden, maar kan hij denken aan een toekomst, waarop hij zich verheugt. 

zaterdag 10 maart 2012

De gezusters van Vloten

Eind negentiende eeuw trouwden de drie relatief vrij opgevoede zussen van Vloten elk met een kunstenaar. De kunstenaars waren onderling verbonden in ‘De Tachtigers’. Zo trouwden Martha, Betsy en Kitty respectievelijk met Frederik van Eeden, Willem Witsen en Albert Verwey. Frederik was schrijver en arts, Willem beeldend kunstenaar en Albert dichter, criticus en literatuurhistoricus. Over de kunstenaars is aardig wat bekend, over de vrouwen echter maar weinig. Reden genoeg voor Cornelie van Ouden en Pieter Stokvis om in ‘De gezusters van Vloten’ (2007) het verhaal van deze welgestelde dames en hun geliefden te vertellen.  

De zusters kregen een degelijke opvoeding en een goede basiskennis door het onderwijs op de middelbare meisjesschool. Zij voelden zich vervolgens vrij om taal- en literatuurstudies te volgen in binnen- en buitenland. Ook volgden ze de diverse publicaties van hun vader met zijn verlichte ideeën. Hun intelligentie en culturele bagage maakte hen aantrekkelijk voor de kunstenaars waarmee ze zouden trouwen.    
Deze drie bekende mannen waren overigens niet de enigen waarmee de zussen een relatie hebben gehad. En van de drie kunstenaarshuwelijken hield alleen dat van Kitty en Albert stand. Frederik beleefde buitenechtelijke liefdes en was in eerste instantie heel krampachtig in het vasthouden aan zijn huwelijk, ingegeven door de tijdgeest. Ook richtte hij de kunstenaarskolonie ‘Walden’ op waar Martha niets mee had. Ook Willem had andere liefdes, die het huwelijk van Betsy en hem bedreigden.

Opvallend is dat hoe moeilijk deze huwelijken ook verliepen, de zussen wel op hun eigen manier hun draai vonden in het leven door het een zinvolle invulling te geven die voldoening schonk. Zo wijdde Martha zich aan het moederschap en aan haar functie als gastvrouw voor bevriende kunstenaars. Met bepaalde gewoonten uit die tijd braken ze; zo had Kitty geen ingeregen taille en liep ze buiten zonder hoed. Voor hun tijd waren ze heel vooruitstrevend. Ook het gegeven dat ze alle drie in gemeenschap van goederen trouwden, was toen bijzonder. Of het ook verstandig was, is weer een ander verhaal.
Betsy had dichterlijke aspiraties en Kitty lijkt als enige van de drie schrijftalent te hebben gehad. Echter, om haar naam onder haar werk te zetten, was destijds nog een stap te ver. Ondanks hun vrije opvoeding vervulden ze toch overwegend de rol van geliefde, troosteres, muze en literair agente.  

zaterdag 3 maart 2012

Plattegrond van een jeugd

Na haar geboorte op Curaçao kwam Wanda Reisel op haar vijfde met haar familie in een groot herenhuis vlakbij het Vondelpark in Amsterdam wonen. Ze schetst aan de hand van dat huis een beeld van haar jeugd. Hiervoor doorloopt ze in de opeenvolgende hoofdstukken van Plattegrond van een jeugd (2010) de verdiepingen van het huis. Elke verdieping roept bij haar herinneringen op. De opzet is speels en maakt dat er diverse, veelal luchtige verhalen verteld kunnen worden. De lezer krijgt een idee van hoe ze opgroeide als jongensachtig meisje in een welgestelde familie.

De aanpak lijkt leuk, maar wordt verwarrend als in een bepaald verhaal de ik-figuur ineens een jongen is in plaats van Wanda zelf. Achteraf blijkt dan ook dat de verhalen oorspronkelijk op zichzelf stonden en dat ze deze voor de gelegenheid van dit boek aan elkaar heeft gesmeed. Lang zit er een lijn in het boek, maar op zeker moment raakt je als lezer het spoor enigszins bijster. Wat wil de schrijfster met deze korte verhalen vertellen? Waren ze als bundeling van verhalen gepresenteerd, dan hadden ze juist relatief veel samenhang vertoond.
Met de inhoud maakt de schrijfster veel goed. Op de tweede etage overkomt haar een tijdelijke gekte, die ze geloofwaardig weet neer te zetten. Ze spreekt zelfs de lezer aan over of ze daartoe wel in staat is. ‘We zullen zien. Gaat u mee?’ Zo nodigt ze de lezer uit om haar verhaal verder te volgen. Verder is ze van mening dat je afkomst voor het grootste deel je toekomst bepaalt. ‘Mensen denken dat ze hun leven zelf sturen, maar het lijkt toch echt meer op een trolleybus, we kunnen wat naar  links en naar echts zwenken, maar los van onze bovenleiding komen we niet.’ Een vrije wil is in haar ogen een illusie; mensen houden toch van ‘gladde, vertrouwde, ingesleten sporen.’

Wanda Reisel sluit het boek af met een beschouwing van haarzelf, het gespletene van een schrijver die naar zichzelf kijkt als personage. De dunne lijn tussen waar gebeurd en mooi beschreven, tussen feit en fictie. Haar onzekerheid gebiedt haar onzichtbaar te zijn. ‘Maar niet verdwijnen.’ Gelukkig maar.    

zaterdag 25 februari 2012

Loflied op de rijpe vrouw

In zijn Loflied op de rijpe vrouw laat Stephen Vizinczey zijn alter ego, András Vajda, op liefdevolle wijze zijn ervaringen met  vrouwen vertellen. Het boek is oorspronkelijk al in 1965 in Canada uitgegeven en beleefde in 2010 een Nederlandse heruitgave. De Hongaarse András beleeft een zeer gelukkige jeugd, ook al heeft hij vroeg zijn vader verloren. De monniken in het klooster vormen zijn vaderfiguren en zijn moeder met haar aardige vriendinnen zijn vrouwelijke voorbeelden. Hij leeft in een harmonieuze wereld totdat de oorlog begint.  

Hij raakt op dertienjarige leeftijd zonder zijn moeder verzeild in een Amerikaans legerkamp, waar hij al gauw zijn diensten aanbiedt om te tolken tussen Amerikaanse soldaten en Hongaarse vrouwen die in ruil voor sigaretten en voedingswaren hun lichaam aanbieden. Na alle mysterieuze verhalen die hij eerder heeft gehoord, raakt hij nu nog nieuwsgieriger naar hoe seks zou zijn. Door zijn handelsinstinct kan hij een prostitué veel sigaretten bieden om hem in te wijden, maar dit  loopt uit op een fiasco.

De schrijver verweeft het verhaal van de jongen mooi met dat van de geschiedenis van Hongarije. Beide worden in een lichte toon beschreven, maar zijn van wezenlijk belang voor de ontwikkeling van de jongen die man wordt. Hij ontdekt dat oudere vrouwen hem meer te bieden hebben dan de meisjes van zijn leeftijd. Stephen Vizinczey tekent een beeld van hem als iemand die met respect met vrouwen omgaat, zonder ook maar een moment soft te worden. Hij is wel degelijk op seks uit en vaak ook berekenend, maar het verhaal wordt nergens plat. Het blijft eerlijk en menselijk. Dat is de grote verdienste van de schrijver, waarmee hij eer betoont aan de rijpe vrouw. Overigens was die rijpe vrouw van hem wel wat jonger dan de vrouwen die we nu rijp zouden noemen! Een subtiele tegenhanger van de vaak wat meer ordinaire verhalen van nu.

zaterdag 18 februari 2012

Het nieuwe zwart

Darian Leader is psychoanalyticus en vanuit die optiek beschouwt hij depressie als ‘een reeks van symptomen die voortkomen uit complexe, unieke menselijke levensgeschiedenissen.’ Hiermee gaat hij bewust in tegen de tegenwoordig overheersende biologische opvatting die qua aanpak van het probleem enkel medicatie inzet. Dit doet de lijder aan depressie tekort, vindt Leader. Patiënten worden met pillen alleen maar klaargestoomd om weer productief deel te kunnen nemen aan de  maatschappij. Daarbij wordt voorbij gegaan aan het persoonlijke verhaal wat achter een depressie schuil gaat. 

‘Rouw, melancholie en depressie’ luidt de ondertitel van Leaders boek dat in 2011 vertaald is in het Nederlands. Leader merkt op hoezeer rouw en melancholie zijn verdrongen door depressie. De afgelopen tien jaar is het aantal depressieven verdubbeld. Volgens Leader noemen we normale, te doorleven processen zoals rouw en melancholie, te snel depressie.

Om deze opvatting te staven, is het erfgoed van Freud, met enkele kanttekeningen, zeer bruikbaar. Ook van de theorie van enkele van zijn navolgers valt veel te leren, volgens Leader. Vaak wordt aan rouw als reactie op een verlies voorbij gegaan in de huidige benadering van depressie, vindt hij. Dit terwijl de effectiviteit van medicijnen nog steeds niet onomstotelijk is bewezen.

Leader gaat nader in op rouw en hoe je daarvoor anderen om je heen nodig hebt. Ook rouwrituelen zijn van groot belang. Verder kan kunst een rol spelen in het naar buiten brengen van rouw en verdriet. ‘Wat niemand kan begrijpen van mijn verdriet, kan iemand zó uitdrukken dat ik mezelf kan herkennen in wat ik niet kan delen’, formuleert psychoanalytica Ginette Raimbault haar visie over kunst in het teken van rouw. Het gaat er niet om dat je na een verlies zo snel mogelijk je gewone leven weer oppakt, maar dat je het verlies integreert in je leven, stelt Leader. 

Rouw en melancholie kunnen overigens tegenover elkaar staan. Zo laat je door te rouwen een verloren persoon los, terwijl als je melancholisch bent, je je juist aan deze persoon hecht. De melancholicus hecht zich aan het negatieve, terwijl de rouwende juist het verlies van het positieve accepteert.   Leader pleit dus voor een beschouwing van de persoonlijke beleving in plaats van alleen maar naar de tekortkomingen van iemand in het functioneren in de maatschappij te kijken. Rouw en verlies dienen doorleefd te worden en niet alleen maar gedempt met medicijnen. Een visie die het verdient serieus genomen te worden.   

zondag 12 februari 2012

Doeschka Meijsing - Over liefde en dood

Op 30 januari 2012 overleed Doeschka Meijsing. Ik schrok toen ik het las op internet. Ze was pas 64 jaar. Op dit bericht volgde een hausse aan loftuitingen over haar werk in diverse dagbladen. Nelleke Noordervliet merkte hierbij op dat ze het Doeschka Meijsing had gegund deze woorden bij leven nog mee te krijgen.  

Doeschka Meijsing heeft  vanaf 1974 gestaag aan haar oeuvre gebouwd. Dit bestond overwegend uit romans en een enkele verhalenbundel. In 2000 werd ze met haar roman ‘De tweede man’ genomineerd voor de AKO Literatuurprijs en met ‘Over de liefde’ (2008) won ze deze prijs daadwerkelijk. Dit laatste boek stond heel dicht bij haar eigen leven en heeft ze met de nodige ironie en zelfspot geschreven. Het is alweer drie jaar geleden dat ik het las. Tijd om het te herlezen.

Na het totaal onverwachte einde van haar derde grote liefde blikt de hoofdpersoon in ‘Over de liefde’  terug op haar leven en liefdes. Hoewel ze neigt naar depressie na de hard aangekomen breuk, vertelt de ik-figuur toch een redelijk nuchter en erg onderhoudend verhaal.

Als ze met haar eerste liefde en een groep vrienden naar de opera gaat, realiseert ze zich hoe gelukkig ze op dat moment is. ‘Na afloop van de voorstelling dronken we nog wat in de Mort Subite, maar we stierven niet ter plekke, hoewel het van mij best had gemogen dat ik mijn leven op het toppunt zou verlaten’. Je zou willen dat deze uitspraak een troost biedt voor haar vroege dood. Maar je weet ook dat ze hierna nog van alles heeft geschreven en vlak voor haar overlijden nog  bezig was aan een verhalenbundel. En wie weet wat de liefde haar nog had gebracht. Dus ergens wil je er toch niet aan.

De bron voor haar liefde voor vrouwen bleek pas tijdens haar studietijd, toen iemand vroeg of ze op haar lerares van vroeger verliefd was geweest. ‘Verliefd? Ik wist nog nauwelijks wat verliefdheid was in die jaren en het was bovendien iets wat je op een jongen was, niet op een getrouwde vrouw met afstandsbediening.’ Op merkwaardige wijze leidt het lot haar weer richting deze persoon van vroeger. Beiden blijken nog iets te moeten afronden uit het verleden.

Ik vond het een waar genoegen om dit boek weer te lezen. Vooral de amusante humeurigheid van de hoofdpersoon en de onderkoelde humor van de schrijfster spreken me erg aan. Misschien dat we nog kennis kunnen nemen van de verhalen waar ze mee bezig was.       

zaterdag 4 februari 2012

Het kind en ik

De laatste jaren voor zijn dood is Hans van Mierlo eindelijk begonnen met wat hij al zo lang wilde doen; zijn levensverhaal opschrijven. Connie Palmen vermoedt dat hij het zolang voor zich uit heeft geschoven omdat het naar zijn idee ‘een meesterwerk’ moest worden. Het mochten geen gewone memoires van een staatsman worden, maar het boek moest een weerslag vormen van de naoorlogse Nederlandse politiek verweven met zijn persoonlijke herinneringen.

In ‘Het kind en ik’ (2011) is hiervan de eerste aanzet te lezen. Hij begint ermee de oorlog als ijkpunt te beschouwen zowel voor zijn leven als voor de geschiedenis van Nederland. De titel verwijst naar een gedicht van Martinus Nijhoff waaruit de ongrijpbaarheid van herinneringen blijkt. Toch weet Van Mierlo nog goed het kind dat hij was tot leven te wekken.

Het uitbreken van de oorlog hing al zo lang in de lucht, dat de 9-jarige Hans bijna opgelucht was toen die eindelijk begon. ‘Die man gaat ons kwaad doen’, zei zijn vader tegen zijn moeder na een radiotoespraak van ‘Hem’. De grote familie moet vluchten. Een beeld dat sterk blijft hangen is dat van zijn vader die op de wc alle dure, zelf gebottelde  wijn wegspoelt, om deze vooral uit handen van de Duisters te houden.  

De familie woont in Breda en lijkt nogal rijk, maar Van Mierlo relativeert dat. Die kunst verstaat hij goed, ook wat zijn eigen persoon betreft. In zijn hoofd lijkt hij een ‘bescheiden prins’ die zichzelf wel hoog acht, maar zich daarvoor niet op de borst slaat. Het leven, zijn carrière, ze zijn hem overkomen. Hij heeft  in zijn optiek niet meer gedaan dan gereageerd op hetgeen op zijn pad kwam.   

Met veel  schwung verbeeldt hij de herinneringen aan zijn jeugd en de bijbehorende emoties. Het geloof was toen nog iets absoluuts voor hem, hoewel hij er soms wel zijn twijfels bij had. Want waarom moesten de Joden om vergiffenis vragen toen ze, volgens Gods plan, Jezus hadden gekruisigd?

Hij verzucht wel eens naar de eenvoud van dat absolute, wetend dat er met de wijsheid  van de jaren geen weg terug naar is. In dit boekje verrijst een beeld van een analytische geest, die niet zo nodig in het middelpunt hoeft te staan, maar wel degelijk veel te zeggen heeft.  Jammer dat we niet van meer van dit soort werk van zijn hand kunnen genieten.