zaterdag 18 februari 2012

Het nieuwe zwart

Darian Leader is psychoanalyticus en vanuit die optiek beschouwt hij depressie als ‘een reeks van symptomen die voortkomen uit complexe, unieke menselijke levensgeschiedenissen.’ Hiermee gaat hij bewust in tegen de tegenwoordig overheersende biologische opvatting die qua aanpak van het probleem enkel medicatie inzet. Dit doet de lijder aan depressie tekort, vindt Leader. Patiënten worden met pillen alleen maar klaargestoomd om weer productief deel te kunnen nemen aan de  maatschappij. Daarbij wordt voorbij gegaan aan het persoonlijke verhaal wat achter een depressie schuil gaat. 

‘Rouw, melancholie en depressie’ luidt de ondertitel van Leaders boek dat in 2011 vertaald is in het Nederlands. Leader merkt op hoezeer rouw en melancholie zijn verdrongen door depressie. De afgelopen tien jaar is het aantal depressieven verdubbeld. Volgens Leader noemen we normale, te doorleven processen zoals rouw en melancholie, te snel depressie.

Om deze opvatting te staven, is het erfgoed van Freud, met enkele kanttekeningen, zeer bruikbaar. Ook van de theorie van enkele van zijn navolgers valt veel te leren, volgens Leader. Vaak wordt aan rouw als reactie op een verlies voorbij gegaan in de huidige benadering van depressie, vindt hij. Dit terwijl de effectiviteit van medicijnen nog steeds niet onomstotelijk is bewezen.

Leader gaat nader in op rouw en hoe je daarvoor anderen om je heen nodig hebt. Ook rouwrituelen zijn van groot belang. Verder kan kunst een rol spelen in het naar buiten brengen van rouw en verdriet. ‘Wat niemand kan begrijpen van mijn verdriet, kan iemand zó uitdrukken dat ik mezelf kan herkennen in wat ik niet kan delen’, formuleert psychoanalytica Ginette Raimbault haar visie over kunst in het teken van rouw. Het gaat er niet om dat je na een verlies zo snel mogelijk je gewone leven weer oppakt, maar dat je het verlies integreert in je leven, stelt Leader. 

Rouw en melancholie kunnen overigens tegenover elkaar staan. Zo laat je door te rouwen een verloren persoon los, terwijl als je melancholisch bent, je je juist aan deze persoon hecht. De melancholicus hecht zich aan het negatieve, terwijl de rouwende juist het verlies van het positieve accepteert.   Leader pleit dus voor een beschouwing van de persoonlijke beleving in plaats van alleen maar naar de tekortkomingen van iemand in het functioneren in de maatschappij te kijken. Rouw en verlies dienen doorleefd te worden en niet alleen maar gedempt met medicijnen. Een visie die het verdient serieus genomen te worden.   

zondag 12 februari 2012

Doeschka Meijsing - Over liefde en dood

Op 30 januari 2012 overleed Doeschka Meijsing. Ik schrok toen ik het las op internet. Ze was pas 64 jaar. Op dit bericht volgde een hausse aan loftuitingen over haar werk in diverse dagbladen. Nelleke Noordervliet merkte hierbij op dat ze het Doeschka Meijsing had gegund deze woorden bij leven nog mee te krijgen.  

Doeschka Meijsing heeft  vanaf 1974 gestaag aan haar oeuvre gebouwd. Dit bestond overwegend uit romans en een enkele verhalenbundel. In 2000 werd ze met haar roman ‘De tweede man’ genomineerd voor de AKO Literatuurprijs en met ‘Over de liefde’ (2008) won ze deze prijs daadwerkelijk. Dit laatste boek stond heel dicht bij haar eigen leven en heeft ze met de nodige ironie en zelfspot geschreven. Het is alweer drie jaar geleden dat ik het las. Tijd om het te herlezen.

Na het totaal onverwachte einde van haar derde grote liefde blikt de hoofdpersoon in ‘Over de liefde’  terug op haar leven en liefdes. Hoewel ze neigt naar depressie na de hard aangekomen breuk, vertelt de ik-figuur toch een redelijk nuchter en erg onderhoudend verhaal.

Als ze met haar eerste liefde en een groep vrienden naar de opera gaat, realiseert ze zich hoe gelukkig ze op dat moment is. ‘Na afloop van de voorstelling dronken we nog wat in de Mort Subite, maar we stierven niet ter plekke, hoewel het van mij best had gemogen dat ik mijn leven op het toppunt zou verlaten’. Je zou willen dat deze uitspraak een troost biedt voor haar vroege dood. Maar je weet ook dat ze hierna nog van alles heeft geschreven en vlak voor haar overlijden nog  bezig was aan een verhalenbundel. En wie weet wat de liefde haar nog had gebracht. Dus ergens wil je er toch niet aan.

De bron voor haar liefde voor vrouwen bleek pas tijdens haar studietijd, toen iemand vroeg of ze op haar lerares van vroeger verliefd was geweest. ‘Verliefd? Ik wist nog nauwelijks wat verliefdheid was in die jaren en het was bovendien iets wat je op een jongen was, niet op een getrouwde vrouw met afstandsbediening.’ Op merkwaardige wijze leidt het lot haar weer richting deze persoon van vroeger. Beiden blijken nog iets te moeten afronden uit het verleden.

Ik vond het een waar genoegen om dit boek weer te lezen. Vooral de amusante humeurigheid van de hoofdpersoon en de onderkoelde humor van de schrijfster spreken me erg aan. Misschien dat we nog kennis kunnen nemen van de verhalen waar ze mee bezig was.       

zaterdag 4 februari 2012

Het kind en ik

De laatste jaren voor zijn dood is Hans van Mierlo eindelijk begonnen met wat hij al zo lang wilde doen; zijn levensverhaal opschrijven. Connie Palmen vermoedt dat hij het zolang voor zich uit heeft geschoven omdat het naar zijn idee ‘een meesterwerk’ moest worden. Het mochten geen gewone memoires van een staatsman worden, maar het boek moest een weerslag vormen van de naoorlogse Nederlandse politiek verweven met zijn persoonlijke herinneringen.

In ‘Het kind en ik’ (2011) is hiervan de eerste aanzet te lezen. Hij begint ermee de oorlog als ijkpunt te beschouwen zowel voor zijn leven als voor de geschiedenis van Nederland. De titel verwijst naar een gedicht van Martinus Nijhoff waaruit de ongrijpbaarheid van herinneringen blijkt. Toch weet Van Mierlo nog goed het kind dat hij was tot leven te wekken.

Het uitbreken van de oorlog hing al zo lang in de lucht, dat de 9-jarige Hans bijna opgelucht was toen die eindelijk begon. ‘Die man gaat ons kwaad doen’, zei zijn vader tegen zijn moeder na een radiotoespraak van ‘Hem’. De grote familie moet vluchten. Een beeld dat sterk blijft hangen is dat van zijn vader die op de wc alle dure, zelf gebottelde  wijn wegspoelt, om deze vooral uit handen van de Duisters te houden.  

De familie woont in Breda en lijkt nogal rijk, maar Van Mierlo relativeert dat. Die kunst verstaat hij goed, ook wat zijn eigen persoon betreft. In zijn hoofd lijkt hij een ‘bescheiden prins’ die zichzelf wel hoog acht, maar zich daarvoor niet op de borst slaat. Het leven, zijn carrière, ze zijn hem overkomen. Hij heeft  in zijn optiek niet meer gedaan dan gereageerd op hetgeen op zijn pad kwam.   

Met veel  schwung verbeeldt hij de herinneringen aan zijn jeugd en de bijbehorende emoties. Het geloof was toen nog iets absoluuts voor hem, hoewel hij er soms wel zijn twijfels bij had. Want waarom moesten de Joden om vergiffenis vragen toen ze, volgens Gods plan, Jezus hadden gekruisigd?

Hij verzucht wel eens naar de eenvoud van dat absolute, wetend dat er met de wijsheid  van de jaren geen weg terug naar is. In dit boekje verrijst een beeld van een analytische geest, die niet zo nodig in het middelpunt hoeft te staan, maar wel degelijk veel te zeggen heeft.  Jammer dat we niet van meer van dit soort werk van zijn hand kunnen genieten.

maandag 30 januari 2012

Bonita Avenue

De vuurwerkramp in Enschede lijkt een voorafspiegeling van de rampspoed die Siem Sigerius en zijn familie zal treffen. ‘Misschien is het een wet dat een dreun van die omvang onvoorziene mechanismen in werking stelt, schokgolven voortstuwt die op hun beurt grillige ontwikkelingen veroorzaken, misverstanden creëren, beslissingen forceren’. Met deze apocalyptische woorden leidt Peter Buwalda het verhaal in over Siem Sigerius, rector magnificus in Enschede. Een verhaal met onverwachte pieken en desastreuze dalen.

Buwalda sleept je voortdurend mee in zijn doordenderende verhaal. Hij is zeker in zijn woordkeus en zijn schrijfstijl verraadt geen enkele twijfel. Alsof het niets is, lanceert hij de mooiste beeldspraken zonder geforceerd over te komen. Het einde van Sigerius kondigt hij ruimschoots van tevoren aan, maar toch blijft het spannend dankzij het gedoseerde prijsgeven van stukken van het verhaal.
Bonita Avenue (2010) staat voor de straat waarin Sigerius en zijn gezin in het zorgeloze Californië een tijdlang wonen. Deze straat heeft hij  met zorg gekozen want zijn dochter Joni vond  ‘Bonita’ zo’n leuk woord. Achteraf beschouwd was het de glorietijd van het gezin. Sigerius woont er met zijn tweede vrouw, Tineke en haar twee dochters. Zelf is hij op wonderbaarlijke wijze van verongelukt judoka verworden tot universitair wiskundige. Sigerius was een bruisend vat vol energie in hun Amerikaanse tijd en een modelvader voor zijn twee stiefdochters. Maar hoe lang gaat dat goed?

Met zijn universitaire betrekking en later als minister van Onderwijs, is hij zijn afkomst aardig ontgroeid. Als hij de hand van Tinekes vader, de wiskundeleraar die zijn talent ontdekt drukt, merkt hij dat deze niet eeltig is, zoals een judohand, maar ook anders dan de handen van de familie van zijn eerste vrouw, ‘die klam waren en beefden als er geen fles in zat.’ Met deze vrouw heeft hij nog een zoon, Wilbert, die nogal ontspoord is en rancuneus tegenover zijn vader met de successen in zijn leven. Als hij zich na zijn gevangenschap begint te roeren, wordt dit uiteindelijk de ondergang van Siem Sigerius. Maar ook zijn oudste stiefdochter draagt hieraan onbedoeld haar steentje bij.      
Zoals hij Tineke bewondert om haar creativiteit en scheppingsdrang, haar manier om controle te houden, zo komt hij uiteindelijk tot een gruweldaad waarvan hij denkt dat hij nu eindelijk eens iets dóet in zijn leven in plaats van afzijdig te blijven. Deze daad sleept hem echter nog dieper mee de afgrond in. Peter Buwalda weet dit alles doorleefd en levensecht weer te geven en heeft hiermee een waanzinnig goed debuut neergezet!

zaterdag 21 januari 2012

Peter Buwalda spreekt

In zijn sjofele spijkerbroek, eenvoudige t-shirt en lichtgrijze jasje verschijnt Peter Buwalda voor zijn publiek. Hij praat honderduit over zijn boek,  alsof hij niet anders gewend is. Terwijl hij toch vier jaar lang in relatieve afzondering aan zijn debuut ‘Bonita avenue’ (2010) heeft gewerkt. Vier jaar waarin hij enkele vrienden af en toe zag en naar de tandarts ging en zich verder weinig buitenshuis begaf. Nu is het de tijd dat hij zich ‘binnenstebuiten keert’, zoals hij het zelf noemt. Het verhaal wat zolang in zijn hoofd heeft gezeten zonder dat iemand er wat van wist, is nu bij een groot publiek bekend. Als hij het nu over Siem Sigerius heeft, weten al die mensen die naar zijn lezingen komen en meer, over wie hij het heeft.

Zijn omgeving heeft zich tijdens zijn schrijfperiode zich wel eens afgevraagd of hij eigenlijk wel aan het schrijven was, vertelt hij. Hij liet in het begin tussendoor niemand iets lezen en het duurde zo lang dat ze eraan begonnen te twijfelen. Hij benadrukt dat elke schrijver  zijn eigen manier van schrijven heeft. Zelf is hij bij dit boek uitgegaan van een verhaallijn en heeft daar zijn personages bij gezocht.

Toch is het niet alleen een plot gedreven verhaal, de psychologie van de karakters is ook goed uitgewerkt. Deze schijnbare tegenstrijdigheid bleek ook uit de prijzen waarvoor zijn boek genomineerd was. Dit betrof zowel prijzen in de hoek van de thrillers als in de literaire hoek. Hij is eigenlijk wel blij dat hij, ondanks de vele nominaties, nog geen gevestigde literatuurprijs heeft ontvangen. Wel heeft hij twee debutantenprijzen gewonnen. Dat is een goede stimulans om door te gaan.

Angst voor mislukking vormt een goede motor om te schrijven, zo ondervindt Buwalda. Zo was het  bij zijn debuut en zo voelt het ook nu weer voor zijn tweede boek. Tijdens zijn eerste boek had hij nog geen idee waar het volgende over zou moeten gaan. Hij maakte zich daar wel een beetje zorgen over omdat andere schrijvers vaak meer dingen tegelijkertijd in hun hoofd hebben. Maar op het moment dat hij als laatste woord in zijn debuut ´godverdomme´ toevoegde, kreeg hij ineens een idee voor zijn volgende boek!         

Door alle promotieactiviteiten heeft hij nu geen tijd om te schrijven , dat vindt hij wel jammer. Hoewel hij toch ook wel behoorlijk goed in zijn element lijkt te zijn in gesprek met zijn publiek. Hij gaat niet vertellen waar zijn tweede boek over gaat. ´Voor je het weet, staat het de volgende dag op internet!´

zaterdag 14 januari 2012

Dit is geen recensie

‘Dit boek is misschien geschikt voor intellectuelen, maar te hoog gegrepen voor huisvrouwen en zeevarenden.’ Hiermee illustreert Elsbeth Etty dat je in een recensie vooral geen onderscheid moet maken tussen de diverse lezers van een boek. Ze geeft meer van dit soort rake voorbeelden in haar korte essay ‘ABC van de literaire kritiek’ (2011). Ze stelt dat er niet zoiets als een standaard recept voor een recensie bestaat, maar dat er wel een aantal richtlijnen voor een goede recensie is te geven.  

Zo dient volgens haar niet meer dan een kwart van een recensie de inhoud van een boek samen te vatten. Verder moet de recensent zoveel mogelijk om het te bespreken boek heen lezen om het goed in de context te kunnen plaatsen. Ook moeten clichés vermeden worden, zoals ‘page turner’ of ‘feest der herkenning’! En zij mag het zeggen, want ze is bijzonder hoogleraar Literaire kritiek.

Zelf houd ik al sinds een paar jaar mijn weblog ‘Mooie boeken’ bij, sinds kort in een andere vorm. Ik hang in mijn boekbesprekingen erg aan het verhaal  van een boek. Vervolgens geef ik kort mijn mening over hoe de schrijver het volgens mij heeft verteld. Met enig geluk komen daarbij ook nog de stijl en context aan de orde, die volgens Etty een groot deel van een recensie vormen. De recensenten van nu mogen dan geen kunstpausen meer zijn, ze moeten in Etty’s optiek wel een objectief en toch persoonlijk oordeel geven over de literatuur.  Het dus is allemaal nogal hoogstaand en verantwoordelijk werk.     

Het leuke van haar boekje is dat Etty haar collega recensenten en zichzelf niet spaart. Zo had Arjan Peters in 1999 ‘De procedure’ van Mulisch uiterst negatief beoordeeld, om zich vervolgens als jurylid  van de Libris literatuurprijs aan te sluiten bij het juryrapport dat het ‘grootse literatuur’ betrof. Zelf werd ze eens door Jeroen Vullings in een recensie laag neergezet. Dit soort gossip in recensentenland maakt het essay luchtig en leesbaar, terwijl het ondertussen toch om een serieuze zaak gaat, die zinnig wordt belicht.

Het  moge duidelijk zijn dat hetgeen je nu leest geen recensie betreft, maar een persoonlijke boekbespreking over een lezenswaardig essay!

dinsdag 3 januari 2012

De grote Joseph

Het verhalendebuut van Anneloes Timmerije, ‘Zwartzuur’ (2005), werd met veel lof ontvangen. Het werd beloond met de Vrouw & Kultuur debuutprijs en sleepte daarnaast nog enkele nominaties in de wacht. Haar familiekroniek ‘Indisch zwijgen’ kreeg wat minder aandacht, maar in 2010 verscheen ‘De grote Joseph’, een dijk van een boek.

In dit verhaal krijgt Lila te maken met bizarre gebeurtenissen als ze op zoek gaat naar het verleden van haar vermiste moeder. Op Lila’s verjaardag komt Carine, haar moeder, niet opdagen. Lila houdt het enige tijd vol om te denken dat ze wel weer zal verschijnen, totdat haar lichaam gevonden wordt. Carine blijkt er een geheime geschiedenis op na te hebben gehouden.  
Anneloes Timmerije weet de spanning goed te doseren. Na de dood van Carine volgen we Lila naar Frankrijk waar de broer van haar moeder, Joseph, woont en waar broer en zus oorspronkelijk vandaan komen.  Joseph kan niet meer praten maar lijkt nog wel bij de tijd. Hij verblijft in een mannenhuis waar mannen terecht kunnen voor wie de maatschappij te snel gaat. Met veel liefde en geduld probeert ze hem weer aan de praat te krijgen over het verleden van hem en haar moeder. Ook gaat ze te rade bij de inwoners van hun oorspronkelijke woonplaats waar ze op veel weerstand stuit.

Waarom heeft haar moeder haar oom in Frankrijk achtergelaten toen ze naar Nederland vertrok? Waarom heeft ze haar naam veranderd? Wat is er in hun woonplaats in Frankrijk tijdens de oorlog gebeurd? Wat houden de dorpsbewoners achter? Langzaam ontvouwt zich een bewogen geschiedenis, niet alleen van de familie van Lila, maar ook van het dorp in Frankrijk. De schrijfster houdt je tot het laatste moment geboeid door telkens een beetje meer weg te geven van het wezen van het verhaal.  
Anneloes Timmerije gebruikt meermalen mooie one-liners, zoals bijvoorbeeld: ‘Als je niet zoekt, is er alleen wat je denkt te weten’ en over de onmacht van oom Joseph om zich uit te drukken: ‘Alsof ik te Sotsji aan de Zwarte Zee in het Tsjerkessisch moet uitleggen wat ik doe voor de kost.´ Ze heeft een verkwikkend taalgebruik  en weet bovendien de nuance te bewaren, ook als het gaat over ´goed of fout´ in de oorlog. Een boek dat je, in een bizar maar geloofwaardig verhaal, meevoert naar een onheilspellend einde.